Vrijheid van onderwijs

 

De grondwet van Thorbecke (1848) bepaalde dat ook christenen eigen scholen mochten stichten. Ondanks deze vrijheid was er toch een grote beperktheid. Waar de openbare scholen gesubsidieerd werden door de overheid, moesten de bijzondere scholen zichzelf bedruipen. Dat vroeg een groot financieel offer van de ouders die hun kinderen naar een bijzondere school stuurden. Na een lange periode van strijd werd in 1917 het openbaar en het bijzonder onderwijs voor de wet op gelijke hoogte gesteld. De overheid bekostigde vanaf dat moment ook het bijzonder onderwijs. 
 
De vrijheid van onderwijs (artikel 23) is voortdurend onderwerp van discussie. Verschillende politieke partijen zien dit artikel graag geschrapt worden. SGP-jongeren staat echter pal voor artikel 23. De in de wet verankerde onderwijsvrijheid biedt bijzondere scholen de mogelijkheid het onderwijs conform hun levensbeschouwing in te richten. De vrijheid van onderwijs is daarom een groot goed. Het stelt ouders in staat om kinderen naar een school te sturen die bij hen past.
 
Bijzondere scholen kenmerken zich door hun identiteit. De overheid doet er goed aan deze scholen ruimte te geven om hun identiteit te handhaven. Het toelatingsbeleid, waarbij de school docenten en leerlingen mag weigeren die niet passen bij de identiteit van de school, is daarvoor essentieel. Zodra bijzondere scholen van overheidswege gedwongen worden alle leerlingen aan te nemen, staat de identiteit en daarmee de vrijheid van onderwijs onder druk. De acceptatieplicht beschouwen wij dan ook als een inbreuk op de onderwijsvrijheid. Bovendien is aangetoond dat het bijzonder onderwijs gemiddeld genomen niet minder allochtone leerlingen in zich opneemt dan het openbaar onderwijs. Dat het bestaan van bijzondere scholen een sta-in-de-weg is voor de integratie van verschillende bevolkingsgroepen berust op dat punt dus op een misverstand. Verder kun je verdraagzaamheid ook leren zonder een verplicht gemengde samenstelling op school te hebben.
 
Het liefst zien wij ‘de openbare school met de Bijbel’. Door allerlei ontwikkelingen is dit oorspronkelijke ideaal in de verdrukking gekomen. Het bestaan van bijzondere scholen komt dit ideaal wel tegemoet. Daarom moet de overheid garant staan voor de vrijheid van onderwijs.