Christelijke politiek (6/6): Aalders, visionair

SGP-jongeren organiseerde samen met het Wetenschappelijk Instituut van de SGP de masterclass Christelijke Politiek. We dachten na over wat zes denkers ons hebben nagelaten rondom vragen over de Bijbel en politiek: Augustinus, Calvijn, Groen van Prinsteren, Kuyper, Kersten en Aalders. Per denker werd een statement geplaatst. Tot slot: Aalders.

SGP-jongeren organiseerde samen met het Wetenschappelijk Instituut van de SGP de masterclass Christelijke Politiek. We dachten na over wat zes denkers ons hebben nagelaten rondom vragen over de Bijbel en politiek: Augustinus, Calvijn, Groen van Prinsteren, Kuyper, Kersten en Aalders. Per denker werd een statement geplaatst. Tot slot: Aalders.

Wie was hij?
Aalders (1909-2005) groeide op in de Gereformeerde Kerk maar kwam later terecht in de orthodoxe flank van de toenmalig Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Bond. Hij was een theoloog die zich verzette tegen de tijdgeest. Op maatschappelijk vlak maar ook zeker in de theologie. Zijn werk “In verzet tegen de tijd: over de verwereldlijking van God en de vergoddelijking van de wereld” (1964) spreekt in de verband boekdelen.

Wat dacht hij?           
Aalders verzette zich sterk tegen de ‘horizontalisering’ van het evangelie: de opvatting dat het evangelie hoofdzakelijk ging over de verhouding van mensen onderling. Het evangelie gaat in de allereerste plaats om verzoening met God. Dat is de centrale gedachte, die niet moet verwateren.
Zijn politieke visie ligt in de lijn met die van Groen van Prinsterer. Een van zijn opstellen (uit een bundel met eveneens een veelzeggende titel: 'De tijdgeest weerstaan', 1984) gaat over de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs, tegen de achtergrond van de ‘neutrale staat’ en Wet gelijke behandeling. Terecht wijst Aalders er op dat de hele idee van de ‘neutrale staat’ niet iets is van de laatste decennia, maar al in 1814 is vastgelegd in de Grondwet. Wat heeft de staat dan vervolgens te doen volgens Aalders? Ook daadwerkelijk neutraal te zijn. "Slechts strikte neutraliteit voorkomt, dat de staat propagandist wordt van een quasi-christelijke, maar in wezen anti-christelijke ideologie. (…) De beslissende toetssteen moet voor ons zijn, of met deze Wet de staat zijn strikte neutraliteit voldoende in acht neemt.”
Ofwel: áls je dan claimt neutraal te zijn, wees dat dan ook. Die notie, met zijn verzet tegen de wijze waarop het evangelie gebruikt werd, doet hem het volgende opschrijven. Een vrij uitvoerig citaat, maar het zet helder zijn visie neer.

“En laten wij daar nu goed op letten, dat de voorstanders en verdedigers (..) hun pleidooi voor deze Wet gronden op hun christelijk geloof, op het Evangelie. Zij zien dit (…) als een sociaal-politieke consequentie van het Evangelie. En het is op evangelische argumenten, dat zij diep verontwaardigd zijn over hen die zich tegen dit wetsontwerp keren. Zij beschouwen het als de christelijke roeping van de overheid om elke vorm van discriminatie tegen te gaan en om ook het onderwijs daaraan dienstbaar te laten zien. Hier doet zich nu datgene voor, waar Groen zo beduchts voor was, namelijk dat een quasi-christelijke staat ons (…) komt vertellen, wat ‘christelijk’ is, en dat dan als Wet aan de christenheid oplegt. Hier zien wij de staat worden tot voertuig van gedachten die ‘christelijk’ heten, maar die tegen het Christendom gekant zijn. Een staat die van ons eist, dat willekeurige samenlevingsvormen gelijkgesteld worden met het huwelijk. (…) De neutrale staat is verre te verkiezingen boven een quasi-christelijke staat; wie ijvert voor een christelijke staat in een eeuw van afvalligheid en kwade dweperijen, die haalt boze geesten in!”

Zijn waarde voor nu?
Ik zal het beperken tot een agenda-item: laat in de komende weken je gedachten eens gaan over die laatste zin.


Frank van Putten
Beleidsadviseur


Blog comments powered by Disqus